Zowat elke tak van de wetenschap heeft wel iets te vertellen over graffiti, maar een algemeen aanvaard antwoord op de waarom-vraag kunnen we nog niet opdienen. Wel een aantal intrigerende gissingen.
Tekens aan de wand
De ene krabbel op de muur is de andere niet. Het komt erop neer dat graffiti letterlijk tekens aan onze wanden zijn. En die tekens vervullen uiteenlopende functies, wat — samen met het talent van de uitvoerder — bepaalt of we er blij mee zijn of niet. Ver moeten we niet zoeken: eens onverbloemd zijn mening ventileren op een toiletdeur is een vorm van zelfexpressie die kan opluchten, en daarbij zijn de boodschap en het medium aan elkaar gewaagd. We kunnen zelfs spreken van virtuele graffiti op de virtuele walls van Facebook. Het zal dan ook wel geen toeval zijn dat de helft van alle Facebookwalls vroeg of laat schuttingtaal te slikken krijgt.
Een territorium afbakenen met graffiti kan ook: dat is wat jeugdbendes doen in de VS en ook elders. Protestslogans die bij sociale onlusten opduiken, hebben dan weer een andere functie: ongenoegen uiten en gelijkgezinden mobiliseren. Niet toevallig doken in Egypte tijdens de Arabische lente talloze graffiti op toen meer dan 800 doden vielen bij demonstraties tegen Mubarak. De aanslagen in de straten vonden een visueel equivalent in de aanslagen op de muren.
Artistieke expressie
Dan hebben we het nog niet gehad over graffiti met een artistieke inslag. Waarom je artistieke talenten botvieren op muren die toch vroeg of laat overschilderd worden? Want zelfs de meest geïnspireerde street art maakt van een brug aan de E40 nog geen Sixtijnse kapel.
Op straat kunnen graffiteurs wel naam maken in de eigen kring en hun werk 'exposeren' op plaatsen waar veel mensen voorbijkomen. Sommigen slagen er zelfs in er zaken mee te doen. Wie op een luie zondagochtend een Banksy-stencil op zijn voorgevel vindt, hoeft zijn huis nooit meer zelf te schilderen.
Ook op een andere manier kunnen graffiti big business zijn: in 2005 beschilderde graffitikunstenaar David Choe de muren van het kantoor van Facebook. In plaats van het geboden bedrag liet hij zich betalen in aandelen die hem rijk maakten. En wat gebeurde er toen Facebook verhuisde naar ruimere kantoren? De graffiti verhuisden mee, met muur en al.
Een zaak van branie en mannelijkheid?
Dergelijke street art is gekiemd in een jongerencultuur met crews van graffiteurs, nogal vaak jonge mannen. Er is blijkbaar wel wat branie mee gemoeid en dat is een kenmerk dat we, in onze tijd en context, eerder aan mannelijkheid koppelen. Die jongeren vormen via hun expressieve graffiti hun persoonlijke identiteit en verwerven zo hun plaats in de groep.
De graffiteur mag het zich niet te gemakkelijk maken: enkel door veel oefening en training leer je de knepen van het vak. De thrill van de exploratie van de moeilijk bereikbare plaats, het gevaar betrapt te worden en de sensatie van de snelle creatie dragen bij tot de vorming van de eigen mannelijke identiteit en de waardering van de groep. Je komt er met andere woorden niet zomaar in zonder jezelf te bewijzen en zo een soort van status te verwerven.
Zijn dat mannelijke kenmerken? Misschien, maar ook vrouwen hebben mannelijke eigenschappen. Staan op deuren van vrouwentoiletten meer of minder graffiti dan op die van de mannentoiletten? Het is zoeken naar cijfers: volgens Nederlandse cijfers is minder dan 1 op de 10 daders in de categorie 'vernieling openbare orde' — waaronder graffiti — een vrouw; de Britse transportpolitie tekende op dat slechts 0,67% van de makers van hiphopgraffiti vrouwen zijn. Ofwel kunnen vrouwen heel hard rennen, ofwel zijn zij ondervertegenwoordigd in graffitikringen.
Het zit heel diep
Krabbelen op muren is nauw verbonden met de geschiedenis van de mens: we doen het al bijna 30.000 jaar. Het ziet er niet naar uit dat coatings, drones of schoonmaakploegen daar veel zullen aan veranderen.
Een muur daagt uit: die vormt letterlijk een begrenzing van onze vrijheid. Wie de muur wil verschalken, moet erop en erover, of loopt er zijn kop stuk op. Dat had de prehistorische mens lang geleden al begrepen. Zijn manier om met die beperking om te gaan? Schilderen op rotswanden en in grotten, onder andere negatieve afdrukken van handen. Vandaag wordt dat gezien als een poging om in contact te komen met de 'andere wereld' die zich achter die muur bevindt. Ook taferelen met dieren en abstracte patronen waren in die periode blijkbaar populair.
De prettige dingen die ons brein doet
De theorie van de Zuid-Afrikaanse onderzoeker David Lewis Williams stelt dat die prehistorische afbeeldingen geen weergave zijn van dagelijkse taferelen, maar wel afbeeldingen van hallucinaties of spirituele ervaringen opgedaan tijdens een trance. Opzwepende muziek, vuur en dans en misschien ook andere middelen kunnen trances uitlokken, maar blijkbaar zouden hallucinaties ook het gevolg kunnen zijn van de afwezigheid van visuele prikkels, bijvoorbeeld door lang in een donkere grot te zitten.
We mogen ervan uitgaan dat het brein van de moderne mens reageert zoals dat van de prehistorische. En wat blijkt nu? Wanneer hersenonderzoekers het visuele deel van het brein stimuleren, creëert ons brein zelfbeelden. Eigenaardig genoeg doet het dat ook wanneer het visuele systeem niet genoeg prikkels ontvangt. De zigzaglijnen, felgekleurde vormen en rasters die ons brein dan aanmaakt, inspireerden onze voorouders waarschijnlijk bij de abstracte patronen die in grotten werden gevonden.
Obsessies van onze voorouders
Ons brein zoekt wel degelijk stimulans en als het kan zelfs een superstimulans. Neem nu een andere obsessie van onze voorouders: suggestieve Venusbeeldjes zoals de Venus van Willendorf met haar gigantische billen, gezwollen buik en borsten. Gedragsbiologen zien daarin supernormale stimuli, de 'superstimuli' die met 'artificiële middelen' instinctief gedrag uitlokken.
Daarvoor observeren zij het gedrag van dieren. Jongen van zilvermeeuwen blijken te pikken op de rode vlek op de bek van moedermeeuw, die als respons voedsel uitbraakt voor de jongen. En het bleek echt te gaan om de rode vlek en niet speciaal om moedermeeuw. Want uit een experiment bleek dat die meeuwenjongen heviger pikten op een staafje met een rode vlek en zelfs helemaal uit de bol gingen als er extra vlekken op het stokje voorkwamen. Gezien de hevige reacties vermoeden wetenschappers dat die rode vlekken fungeren als superstimuli.
Merkwaardig genoeg is de stap van biologie naar artistieke expressie bijzonder klein. In een BBC-documentaire over de oorsprong van kunst stelt neurowetenschapper V.S. Ramachandran dat als meeuwenjongen kunst zouden kunnen kopen, ze waarschijnlijk miljoenen zouden spenderen aan een abstract kunstwerk met rode vlekken, zonder zich ervan bewust te zijn waarom. Zo legt hij een verband tussen superstimuli en artistieke expressie: hij vermoedt dat die fungeert als een soort van superstimulus voor de menselijke geest.
Jammer dat we nog niet weten hoe de vork precies aan de steel zit, maar het kliederen op muren zit blijkbaar diep voorgeprogrammeerd in elk van ons.
Met dank aan Johan Braeckman, hoogleraar wijsbegeerte, UGent.